Schilder / illustrator

Mijn broer, Remi

21 schilderijen (olieverf op paneel)

Dit boekje komt voort uit een onderzoek naar biografieën, waarin ik op zoek ben gegaan waarom ik altijd zo aangetrokken ben tot levensverhalen. Ik ploos methodieken uit, las over levensverhalen van anderen, maar vond het uiteindelijke antwoord dicht bij huis. Woorden schoten tekort om de complexiteit van een herinnering te vangen. Dus ruilde ik mijn pen in voor het penseel. ‘Mijn broer, Remi’ is het visuele antwoord op mijn academische zoektocht; een biografie in verf.

Opgedragen aan mijn grote broer Remi.

Mijn broer en ik zijn altijd creatieve kinderen geweest.

Er werd bij ons thuis altijd dikwijls geknutseld, gekleid en getekend. Wellicht heeft onze moeder, die zelf als beeldhouwer aan de kunstacademie in Maastricht afstudeerde, daar een grote invloed op gehad.

Die creatieve sferen in huis waren besmettelijk. Toen mijn broer, acht jaar ouder dan ik, begon met pianoles, moest en zou ik ook op pianoles. Onze vader bracht ons dan naar een lieve vrouw die thuis een prachtige vleugel had staan, en na een uur te hebben geluisterd naar het pianospel van mijn broer, was het mijn beurt. Weliswaar was hij vele malen beter, maar er was nooit een gevoel van competitie.


Jaren later heb ik het pianospelen gelaten bij wat het was, maar de drang om mezelf te uiten is nooit verdwenen. Ik ben altijd veel blijven tekenen, en een opleiding aan de kunstacademie was een logisch vervolg.

Hier ontdekte ik het schilderen, en was gelijk verkocht.
Parallel aan deze ontwikkeling is mijn broer in zijn leven, ondanks veel medische tegenslagen, altijd bezig geweest met pianospelen, maar ook met film, fotografie en natuurlijk schrijven.

In de kringloopwinkel loop ik voorbij een grote boekenkast, waarin een van de ruggen van de boeken mij gelijk opvalt. De rug leest; “Gewone Levens”, door Gerlof Leistra (1959).

Onder de titel staat “Necrologieën van onbekende Nederlanders”. Ik had eigenlijk nog nooit van de term necrologie gehoord. Het is ‘een ode aan het leven’ leest de inleiding, ‘de dood van de geportretteerde als aanleiding om diens leven nog eens in volle breedte de revue te laten passeren’.

Wat me zo aanspreekt aan het boek is dat het niet gaat om de grootse bekende namen waar het genre biografie vaak in vervalt, maar het een podium geeft, al dan wel pas na het overlijden, aan de meer doorsnee Nederlander. De doorsnee Nederlander wiens verhaal net zo merkwaardig en waardevol blijkt te kunnen zijn. Een teken dat dergelijke levensverhalen niet gereserveerd zijn voor een kleine groep bekende mensen, maar dat ieders leven een boeiend, of inspirerend verhaal kan opleveren.

Sylvia Plath

Mijn broer heeft alle boeken van Sylvia Plath, tot de laatste waarna ze zichzelf van het leven beroofde, en heeft deze hoog in het vaandel. Ik zie deze boeken altijd op zijn trap liggen, of verspreid over de woonkamer. Het maakt bijna deel uit van zijn interieur.

Terwijl ik mijn broer bevraag over zijn inspiratiebronnen bespreken we de kracht van het schrijven over de duistere details van het leven, net zoals Sylvia deed. Wanneer je ongefilterd durft te schrijven wat je leeft, hoe donker dat leven ook mag zijn, blijkt er een ongeëvenaard gevoel van realisme te ontstaan, stellen we in het gesprek.

Misschien is dat wat Sylvia Plath zo bijzonder maakt: ze schrijft niet over emoties, ze is die emoties. En daardoor word je als lezer een beetje ontmaskerd.

Je kunt niet blijven toekijken, je moet mee de diepte in.

Ik moet denken aan de portretten die Lucien Freud van zijn moeder maakte. Na de dood van zijn Lucien Freud’s (1922-2011) vader raakte zijn moeder in een zware depressie en bracht zij lange periodes door in bed of slapend. Freud schilderde haar gedurende deze jaren herhaaldelijk, vaak liggend, met gesloten of halfgesloten ogen. Omdat hij zorgen voor haar droeg, maakte Freud er een ritueel van om dagelijks te ontbijten met zijn moeder, gevolgd door een schildersessie van 4 uur. Zo maakte hij rond de 18 werken, tussen 1972 en 1984. De portretten vangen het aftakelen van zijn moeder over een lange periode, en zijn dus documentarisch van karakter, maar sterk persoonlijk geladen.

De portretten functioneren als een visuele biografie: ze documenteren niet één beslissend moment, maar een langdurig proces van lichamelijke en mentale verandering.

Tegelijkertijd maken ze duidelijk dat ook beeldende biografieën niet altijd neutraal zijn. Omdat Freud zijn eigen moeder portretteert, is het biografische niet alleen gelegen in háár leven, maar ook in zijn positie als zoon en waarnemer. Het schilderen wordt daarmee een vorm van betrokken getuigenis: het vastleggen van haar aftakeling is tegelijkertijd een reflectie op zijn eigen relatie tot haar.

In de kringloopwinkel loop ik voorbij een grote boekenkast, waarin een van de ruggen van de boeken mij gelijk opvalt. De rug leest; “Gewone Levens”, door Gerlof Leistra (1959).

Onder de titel staat “Necrologieën van onbekende Nederlanders”. Ik had eigenlijk nog nooit van de term necrologie gehoord. Het is ‘een ode aan het leven’ leest de inleiding, ‘de dood van de geportretteerde als aanleiding om diens leven nog eens in volle breedte de revue te laten passeren’.

Wat me zo aanspreekt aan het boek is dat het niet gaat om de grootse bekende namen waar het genre biografie vaak in vervalt, maar het een podium geeft, al dan wel pas na het overlijden, aan de meer doorsnee Nederlander. De doorsnee Nederlander wiens verhaal net zo merkwaardig en waardevol blijkt te kunnen zijn. Een teken dat dergelijke levensverhalen niet gereserveerd zijn voor een kleine groep bekende mensen, maar dat ieders leven een boeiend, of inspirerend verhaal kan opleveren.